|

Hans Herbots wil ooit nog
eens musical maken • Foto’s Dieter DEDECKER
• Veel mensen denken bij een
filmregisseur aan een tiran die vanuit zijn klapstoeltje acteurs
allerlei aanwijzingen toeschreeuwt. De werkelijkheid is allicht
iets prozaïscher…
Hans Herbots: “Het clichébeeld van de roepende en tierende
regisseur op de set klopt inderdaad niet. Ik garandeer je: zo
werkt het gewoonweg niet. Het belangrijkste is dat je iedereen
moet enthousiasmeren. Een filmploeg bestaat uit pakweg 30 tot 50
mensen, die een maand lang heel intens moeten samenwerken. Als
filmregisseur moet je ervoor zorgen dat de neuzen in dezelfde
richting staan. Iedereen moet het beste van zichzelf geven. Je
mag dat echt niet onderschatten hoor. Omdat de huurprijzen van
het filmmateriaal heel hoog zijn, duren de opnamedagen erg lang.
Je gaat heel intens met elkaar om, maar als de opnames achter de
rug zijn, ontmoet je die mensen pas twee jaar later opnieuw voor
een ander project, heel vreemd is dat…”
• We hebben nu al geleerd dat een
filmregisseur nooit roept, maar wat doet hij dan wel?
Hans Herbots: “Ik wil een verhaal vertellen dat ik in de
bioscoop of in de huiskamer wil brengen, zo eenvoudig is het. Om
je ideeën concreet uit te werken heb je natuurlijk een heleboel
mensen nodig. In het begin werk je samen met een
scenarioschrijver of een producent. Als je idee rijp is, begint
de volgende fase. Dan moet je financiers mee helpen overtuigen
om in je project te stappen. Vervolgens stel je een filmploeg
samen en als de opnames achter de rug zijn werk je samen met de
monteur en muzikanten om je film af te werken. Een regisseur mag
zijn einddoel nooit uit het oog verliezen en moet constant
mensen motiveren. Hoe beter je dat doet, hoe beter het
eindresultaat.”
• Wist je als kind al dat je later
films ging regisseren? Was het een roeping die je van kindsbeen
al had?
Hans Herbots: “Niet echt. Ik maakte als tiener wel al ‘filmkes’,
maar eigenlijk weet je niet goed waar je mee bezig bent. Bij mij
werd het pas later duidelijk, toen ik een jaar of zeventien was.
Ik dacht eerst dat je er onmogelijk je beroep van kon maken, en
dus overwoog ik een tijdlang om ‘iets serieus’ te doen (lacht),
maar uiteindelijk ben ik toch overstag gegaan en heb ik de
filmschool gevolgd. Soms heb ik het gevoel dat ik veeleer
toevallig van het ene project in het andere rol. Vaak is het een
kwestie van de juiste mensen tegen het lijf te lopen. De
filmwereld is klein, maar er staan geen muren rond, dat gegeven
vind ik aangenaam.”
• Ik las ergens dat je voor ‘Het
Goddelijke Monster’ de legendarische ‘Witte Mars’ moest
verfilmen met amper honderd figuranten. Hoe begin je daaraan?
Hans Herbots: “Toegegeven: de opkomst was inderdaad aan de
magere kant. De echte Witte Mars telde 300.000 deelnemers, voor
de verfilming had ik hooguit honderd mensen ter beschikking. Ik
begrijp het wel hoor. De Witte Mars refereert toch naar een
lugubere periode waar mensen niet graag aan herinnerd worden.
Als je een voetbalwedstrijd inblikt, komen er heel wat meer
figuranten opdagen. Maar hier gebeurden de opnames ’s morgens
vroeg, in het putteke van de winter, da’s een groot verschil.
Als regisseur moet je dan alle truken van de foor bovenhalen,
met andere woorden: telelenzen gebruiken, waardoor je meer met
diepte kan spelen. Ik garandeer je: in het uiteindelijke
resultaat merk je er weinig van hoor. In principe zal ‘Het
Goddelijke Monster’ volgend jaar te zien zijn op zondagavond,
maar omdat de VRT moet besparen kan de reeks mogelijks pas in
2012 op de buis komen.”
• Hoe moeilijk is het om films te
draaien in België? De budgetten zijn hier peanuts als je ze
vergelijkt met die van buitenlandse producties.
Hans Herbots: “Eerlijk? Ik vrees dat het de komende jaren
moeilijk gaat worden. De filmsector voelt de crisis pas heel
laat: we draaien nu films met budgetten die een jaar of twee,
drie geleden werden goedgekeurd. Het kan dus best eens spannend
worden in de filmsector. Bovendien is Vlaanderen een klein
taalgebied, dat maakt het er niet makkelijker op. Weet je wat ik
heel vreemd vind? Dat een Vlaamse film beter scoort in Frankrijk
of Duitsland dan in Nederland. Neem bijvoorbeeld de ‘Helaasheid
Der Dingen’, die wordt overal enthousiast onthaald maar loopt
voor geen meter in Nederland. Je merkt hetzelfde met Loft, daar
wordt zelfs een heuse remake gemaakt met Nederlandse acteurs.
Het is echt moeilijk om die cultuurverschillen uit te wissen.”
• U heeft heel uiteenlopende films
gemaakt: van kleine intimistische drama’s als ‘Bo’ tot grote
producties als ‘Windkracht 10’. Hoe verklaart u die
verscheidenheid in uw werk?
Hans Herbots: “Ik vind het vooral fijn om met verschillende
methoden een verhaal te vertellen. Bij ‘Windkracht 10’
bijvoorbeeld had je een stijl nodig die de inzet van de ‘grote
middelen’ vereist. Ik heb toen de mogelijkheid gekregen om in
Londen samen te kunnen werken met de mensen van de Harry
Potterfilms. ‘Bo’ was eerder minimalistisch en klein, ‘Het
Goddelijke Monster’ zit daar ergens tussenin, een beetje te
vergelijken met Amélie Poulain, met een heel beweeglijke camera.
Ik hou ervan verschillende verhalen te vertellen, die qua
thematiek goed op elkaar aansluiten. Maar desondanks kan je je
stijl aanpassen, vandaar het heterogene denk ik.”
• Veel Hollywoodfilms staan bol van de
digitale effecten. Maken Vlaamse films er ook gebruik van?
Hans Herbots: “Als je het hebt over spectaculaire ontploffingen,
dan moet ik je teleurstellen. In België gebruiken we het eerder
als een soort van digitale make-up: in historische films kan je
er bijvoorbeeld storende elektriciteitsmasten makkelijk mee
wegvlakken. Heb je nood aan enkele rondcirkelende vogels aan een
kerktoren? Ook geen probleem! Het levert veel mogelijkheden op
en is ook nog eens goedkoop. Persoonlijk vind ik het gebruik
ervan leuk: je creëert een ideale wereld, zonder dat de kijker
er iets van merkt.”
• Welk soort film zou je graag nog eens
willen draaien?
Hans Herbots: “Een van mijn absolute lievelingsfilms
is ‘Moulin Rouge’. Zelf wil ik ooit eens een musical maken. Een
barokke prent waarin je alle registers kan opentrekken lijkt me
heerlijk. Van kostuums tot camera en muziek, een musical is een
onweerstaanbare kijkervaring. Jammer dat de budgetten daarvoor
zo hoog zijn. Ondertussen heb ik ook enkele Vlaamse
politiereeksen zoals ‘Sedes & Belli’ en ‘Zone Stad’
geregisseerd, een strakke stadsthriller staat dus ook op mijn
verlanglijstje.”
• Goed dat je er zelf over begint: hoe
verklaar je het succes van politieseries?
Hans Herbots: “Ik denk dat een politiesecretariaat
een uitstekende locatie is. Er lopen veel verschillende
karakters rond met elk hun eigen achtergrond. Bovendien waaien
de verhalen er als het ware gewoon binnen. Ik denk dat je met zo
een uitgangspunt heel veel richtingen uit kan. Het is ook
herkenbaar: de reeks is opgenomen op straten en pleinen waar je
als kijker zelf ook rondloopt. Eigenlijk zou het jou ook kunnen
overkomen, dat maakt het toch wel een beetje spannend ook, denk
ik.”
• ‘Het Goddelijke Monster’ zal eind
2010 klaar zijn. Wat zijn je plannen voor volgend jaar?
Hans Herbots: “Ik ga aan ‘Black’ werken, een film over een
zwarte jongerenbende in Brussel. Het gaat om de verfilming van
het gelijknamige boek van Dirk Bracke, een jeugdauteur van wie
ik eerder al ‘Bo’ verfilmd heb. Allicht wordt dat iets voor
volgende zomer.”
• Slotvraagje, zou Zurenborg het decor
kunnen zijn voor een film?
Hans Herbots: “Ondertussen hang ik hier al tien jaar
rond, de buurt heeft weinig geheimen voor mij. Wat me wel
intrigeert is een plekje aan de Draakplaats, waar de NMBS ook
gebouwen heeft staan. Het is een soort van niemandsland, waar
ook een vreemd woonhuis staat. Zurenborg is heel specifiek qua
architectuur, je moet dus een verhaal hebben dat zich afspeelt
in deze context. Het moet in elk geval geloofwaardig zijn. Je
merkt dat Zurenborg een fijne plek is, dus vind ik het
persoonlijk moeilijk om hier scènes te draaien die zich in een
verloederde buurt afspelen. Zélf heb ik hier nog nooit gefilmd.
Kwestie van privé en werk gescheiden te houden, zeker? (lacht).”
 |